Het Meisje met de Zwavelstokjes
Neko Mara
PROLOOG
Het Meisje met de Zwavelstokjes
Er was eens, in een koninkrijk bijna op het topje van de wereld, een meisje dat zich een weg door de koele avondlucht probeerde te banen. Het was al donker buiten; het enige overgebleven licht was afkomstig van een eenzame lantaarnpaal langs de weg en een oranjekleurige gloed aan de horizon die deed denken aan warmte, hoewel het, zoals de witte deken op de aarde al deed vermoeden, ijskoud was. De wind sneed dwars door haar zomerjas heen en maakte haar gezicht rauw terwijl hij dansende sneeuwvlokjes droeg en het spoor van haar voetstappen achter haar uitveegde. De storm die woedde, was echter niet zo hevig als die in haar hoofd; want ook in haar hoofd hoonde de wind en huilde hij zoals zij dat deed.
Ze sloeg haar armen nog wat steviger om zich heen – niet enkel om zichzelf warm te houden, maar temeer om haar broodwinning te beschermen tegen de vallende sneeuw. Als de zwavelstokjes nat zouden worden voordat ze het dorp bereikt had, kon ze simpelweg niet terugkeren. Het was belangrijk dat ze in ieder geval genoeg geld voor een paar sneetjes brood mee naar huis zou nemen – dat had haar moeder haar op het hart gedrukt, en als ze dat niet deed, kon het niet anders dan dat haar vader kwaad zou worden; misschien niet zozeer omdat ze geen geld had kunnen verdienen als wel om het feit dat ze zo onzorgvuldig was geweest.
Met iedere afdruk die haar stappen achterlieten in de sneeuw, drong de kou dieper tot haar lichaam door. Haar lippen trilden en kleurden langzaam blauw, haar adem vervormde tot een dichte mist iedere keer wanneer ze uitademde. Haar schaduw werd zwaarder naarmate de tijd verstreek. Er leek geen einde aan haar reis te komen, hoe ver ze ook liep. In de verte, aan de horizon waar de oranjekleurige gloed steeds meer vervaagde, zag ze de lichten van de stad uitnodigend fonkelen onder de sterren – ze kwamen echter nooit dichterbij. Ze vocht tegen de gedachte, maar steeds meer kreeg ze het gevoel dat het geen zin had, en hoezeer ze dat hersenspinsel ook weg probeerde te duwen, het bleef zich aan haar opdringen.
Haar jas raakte langzaamaan doorweekt. Haar vingers waren gevoelloos, net zoals haar neus en haar voeten, en de storm in haar hoofd vertraagde haar gedachtestroom. De tranen van vermoeidheid bleven over haar wangen stromen, maar kregen de kans niet om haar gezicht te verwarmen doordat de ijzige wind hen direct tot kleine pareltjes bevroor. Van tijd tot tijd probeerde ze haar gezicht droog te vegen, maar de natte mouwen van haar jas maakten het alleen maar erger. Ze verlangde naar rust; haar lichaam was koud, haar brein bevroren en haar hartslag slechts een schim van wat hij zou moeten zijn. Het was zinloos. Ze kon niet meer.
Precies op het moment dat ze de hopeloosheid niet meer kon onderdrukken, merkte ze dat het gestopt was met sneeuwen. De wind was nog altijd scherp, maar al heel wat minder rauw doordat de snijdende ijskristallen ontbraken. Toen ze haar vermoeide ogen opsloeg, merkte ze dat haar benen haar onder een oude brug gedragen hadden, waar de sneeuw niet viel en de wind veel minder koud leek. Plotseling leek ze omringd te zijn door stilte; de wind huilde nog altijd, maar het leek nu alsof hij haar niet meer kon raken, alsof de brug haar beschermde tegen de kou. Terwijl ze naar boven bleef staren, naar de onderkant van het hout dat al zoveel mensen gedragen had, ging de storm in haar hoofd langzaam liggen. De brug voelde als een thuis, als een veilig dak boven haar hoofd.
Ze zocht een plekje waar de wind haar niet kon raken en liet zichzelf op de grond zakken, versuft van honger en uitputting. Haar blik bleef gericht op de brug boven haar, alsof ze probeerde door het hout heen de hemel te zien; de grijze luchten waaruit de sneeuw dwarrelde als duizenden donsveertjes en waar, als ze de verhalen moest geloven, een man woonde die goed was voor alle mensen op de hele wereld. Volgens het boek waaruit haar moeder haar soms voorlas, had die man honderden jaren geleden de aarde geschapen; de graslanden, de blauwe lucht, de schapenwolkjes, de koeien, de vogels, de bloemen, de zeeën, de woestijnen, de nacht en zelfs de zon, zodat die warmte kon schenken aan ieder die het nodig had.
Maar zij voelde geen warmte; ze had het zelfs nooit gekend, evenals de zee en de woestijnen en de blauwe lucht waarover in het boek geschreven stond. In haar ogen waren het allemaal leugens. Ze was oud genoeg om niet meer in die sprookjes te geloven.
Ze bleef een tijdje zitten, volledig afgesloten van wat er om haar heen gebeurde. Ze bleef naar boven staren terwijl ze probeerde niet te denken aan de kou die zich plotseling om haar heen sloeg; haar natte jas werd langzaamaan stijf en leek om haar lichaam heen te bevriezen, alsof ze een rups was die zou verdwijnen in een beschermende cocon om er later als een prachtige vlinder weer uit tevoorschijn te komen. Ze trok één mondhoek cynisch op bij die gedachte – het idee dat zij ooit iets als een vlinder zou worden was simpelweg idioot. De enige toekomst die er voor haar weggelegd was, was die van een bedelaar. Tot in de eeuwigheid zou zij zwavelstokjes moeten ruilen tegen een aantal stuivers om in leven te blijven.
Het meisje van de zwavelstokjes. Dat was ze nu, en dat zou ze altijd blijven.
Plots dook er een gedachte in haar op; een gedachte die haar eerst een zeker schuldgevoel bezorgde, maar naarmate ze er meer over nadacht steeds logischer begon te lijken. Het bundeltje woog zwaar onder haar jas – wat zou één zwavelstokje uitmaken? Haar ouders zouden het niet merken wanneer er één stuiver in haar beurs zou missen – en wat was nou één stuiver vergeleken met een kort moment vervuld van warmte in een nacht zo kil als deze?
Met verkleumde vingertoppen opende ze de ritssluiting van haar jas en tastte ze onder de stof, waardoor het ijzige laagje dat zich daarop gevormd had versplinterde en geluidloos op de grond viel. Haar tanden klapperden in een onvast ritme terwijl ze het vochtige buideltje tevoorschijn haalde en voor de laatste keer het schuldgevoel dat zich aan haar opdrong van zich afzette. Ze verlangde naar warmte, al was het maar voor het kleinste ogenblik, zodat ze zich zou herinneren waarom ze ooit aan deze reis begonnen was. Als er al een reden was.
Zonder er ook nog maar één gedachte aan te besteden, pakte ze een zwavelstokje uit het buideltje en streek ze hem af tegen de droge grond onder haar voeten, waarna een vloedgolf van warmte haar overspoelde. Ze sloot haar ogen en liet zich meevoeren naar een andere wereld; een wereld waarin geen kilte was en geen honger, met een vergeet-mij-nietjesblauwe hemel, fluisterende graslanden en de zon, zoals de man uit de hemel die ooit geschapen had. Ze danste op de maat van haar hartslag door een zonovergoten bloemenzee, onbezorgd, gestreeld door de lichte aanraking van de wind. Haar witte jurk ruiste licht rondom haar lichaam telkens wanneer ze een pirouette draaide, met roze bloesem in haar haren, en de ondergaande zon wierp een rozige gloed over het tafereel. Het leek op een droom; een perfecte, zilverzoete droom waaraan nooit een einde mocht komen maar abrupt werd afgebroken toen het zwavelstokje doofde.
Ze gleed terug in de grijze wereld onder de brug en besefte zich op dat moment dat het inderdaad een droom geweest was. De kou van de wind leek plotseling nog erger, ondraaglijk bijna in vergelijking met de warmte die ze even daarvoor nog gevoeld had. Zonder erbij na te denken, haar brein al net zo bevroren als haar handen, pakte ze nog een zwavelstokje uit het buideltje. Ze streek hem af tegen de grond en liet zich nogmaals meevoeren.
Nu was ze op een strand – maar niet zomaar een strand. Het was parelwit zand dat tussen haar tenen kriebelde, kokosgeurige wind in haar gezicht en warm zonlicht dat zich in haar haren weefde, anders dan het ijle licht dat zij kende uit haar koninkrijk. De zilte lucht tintelde op haar huid, alsof hij tastbaar was, en het geluid van ruisende palmbladeren fluisterde in haar oren. De zee strekte zich voor haar uit tot aan de horizon, waar het eindeloze blauw overging in het blauw van de hemel, die wolkeloos en helder was. Er heerste complete stilte, afgezien van de golven die zich om beurten op het strand wierpen en de wind, hoewel die allesbehalve luid was. Ze waagde zich in het water, voetje voor voetje, totdat het wateroppervlak tot aan haar middel kwam. Het voelde koel aan op haar huid, maar alles behalve onaangenaam.
Het werd pas onaangenaam toen ze haar ogen sloot en kopje onder ging – plots leek het wel alsof ze in ijswater zwom. De kou stak als duizend messen in haar lichaam en leek haar longen dicht te knijpen, zodat ze niet meer kon ademen. Zo snel ze kon zwom ze terug naar de oppervlakte, maar ook boven water, waar ze weer kon ademen, was de warmte verdwenen, alsof hij nooit bestaan had.
Toen ze haar ogen opende, merkte ze dat ze terug was onder de brug. Het zwavelstokje lag verkoold op de grond; een paar centimeter verder dan waar hij uit haar handen gevallen was, doordat de wind hem weggerold had. Het kostte haar maar een fractie van een seconde om nog een zwavelstokje uit het buideltje te pakken en hem af te strijken. Wat haar moeder haar op het hart gedrukt had, leek plotseling heel ver weg.
Het licht nam haar mee naar een plaats die zo mogelijk nog mooier was dan de vorige twee; een open plek tussen een ring van bomen wier bladeren het zonlicht zo filterden dat er een magisch, groen schijnsel overbleef. Het gras kriebelde haar nek en haar armen terwijl ze, liggend op haar rug, naar de wolken staarde. De hemel leek zo verschrikkelijk ver weg vanuit haar perspectief, bijna alsof ze op de bodem van een zandloper lag die weldra omgekeerd zou worden; zij zweefde in de lucht en de hemel was een oceaan waar zij, zijnde als het zand, in zou duiken. Ze voelde zich vrij; alsof ze al vloog.
En het mooiste was nog dat ze niet alleen was.
Haar vingers waren verstrengeld met iemand die in haar ogen de mooiste persoon op aarde was. Een engel, bijna. De enige reden waarom ze haar blik lostornde van de lucht, was hij.
Hij was het toonbeeld van perfectie. Zijn gezicht was een kunstwerk van harde en zachte lijnen die feilloos in elkaar overliepen – zijn kaaklijn scherp en hoekig, zoals zijn wenkbrauwen, en in tegenstelling daartoe de ronde, zachte vorm van zijn lippen. Hij glimlachte naar haar zodra hun blikken zich met elkaar vervlochten, wat haar hart een slag deed overslaan. Het was net alsof hij haar echt zag, zoals geen ander haar ooit had kunnen zien; alsof zijn ogen van het soort waren dat ultraviolet en infrarood kon zien naast het gewone, zevenkleurige kleurenspectrum. Het was simpelweg onmogelijk om van zijn amberkleurige ogen weg te kijken, zo warm was zijn blik. Zo liefdevol. Zijn bronskleurige haar viel langs zijn gezicht alsof het een schilderij omlijstte, schonk een kader aan alles wat zij vanaf dat moment liefhad. Ze prentte zijn gezicht in haar geheugen – alle details, zoals de kleine imperfectie op de brug van zijn neus, zijn eindeloze wimpers, het eenzame sproetje op zijn bleke wang en het gevoel van zijn hand in de hare – want ze wilde het nooit vergeten. Zachtjes kneep hij in haar hand, zodat ze zich zou beseffen dat ze niet droomde – maar eigenlijk herinnerde ze zich daardoor alleen nog maar meer dat dit niet echt was. Een andere werkelijkheid. Want zodra het zwavelstokje doofde, zou hij er niet meer zijn. En ze hield nu al meer van hem dan ze ooit van iemand zou houden.
Maar de tijd viel niet te stoppen, hoe graag ze dat ook wilde. Zodra het zwavelstokje doofde, viel ze met een duizelingwekkende snelheid terug de werkelijkheid in; terug onder de brug, waar de wind nog altijd blies alsof hij de aarde wilde wegvagen.
Zodra ze de kou voelde, streek ze onmiddellijk nog een zwavelstokje af – en nog één, en nog één, en nog één, en nog één. Het licht nam haar mee naar kleine dorpjes gelegen tussen bebloemde bergen, sprookjeslandschappen die zich uitstrekten tot ver achter de horizon, onbewoonde eilanden, afgelegen meren omringd door klaprozen, warme woonkamers waarin een kerstboom het stralend middelpunt was, boomgaarden die in volle bloei stonden en – uiteindelijk – in een zacht, wit landschap boven de wolken. En zelfs daar vond ze haar engel niet terug.
Er waren wel een heleboel andere engelen; met witte verenvleugels en lichtkransen om hun hoofden, maar niemand van hen was zo mooi als de jongen die naast haar op de open plek gelegen had. Ze kon de contouren van zijn gezicht nog duidelijk voor zich zien; sterk, verfijnd, scherp en vooral onbeschrijfelijk mooi. Niets van wat ze om zich heen zag, voldeed aan hem – hoewel ze diep in haar hart moest toegeven dat de hemel ook mooi was. De wolken voelden als dons onder haar voeten en het zonlicht viel uiteen in meer kleuren dan ze ooit gezien had. Hoog boven haar hoofd verrees een poort die compleet verguld was, het metaalwerk krullend in talloze vormen en figuren die waren ingezet met iets dat op gekleurd glas leek – het was prachtig.
Al net zo prachtig was de stem die even later haar naam noemde; ontzettend zacht, maar toch heel helder, alsof de wind het in haar oren fluisterde.
“Emra?”
Ze keerde haar rug naar de gouden poort en zocht naar de bron van het geluid, met ogen die nog onwennig waren voor het veelkleurige licht. Lang hoefde ze niet te zoeken. Tussen de tientallen engelengezichten was er slechts één paar ogen dat ook haar blik zocht; een vrouw, zo stralend dat het leek alsof er een lichtje in haar lichaam zat. Zodra er oogcontact tussen hen ontstond, was er sprake van een soort herkenning, alsof ze elkaar in een vorig leven al ontmoet hadden maar dat moment vergeten waren door de decennia vol van seconden die er sinds dat moment verstreken waren. Het was onmogelijk haar ogen van de engel los te tornen, zo intens was haar blik – zo puur en teder. Emra voelde direct dat ze haar kon vertrouwen – of misschien herinnerde ze zich het eerder dan dat ze het voelde. Het was een ander soort intuïtie dan ze gewend was.
De engel strekte haar arm uit naar het meisje en nam diens hand in die van haar. Direct begon er iets te tintelen in Emra’s vingertoppen; een warm gevoel dat zich via haar elleboog uitspreidde door heel haar lichaam, alsof het lichtje uit de engel door hun ineengeklonken handen nu in hen allebei scheen.
En dat was ook zo – maar Emra zag het niet, omdat ze haar blik niet van de helderblauwe ogen af kon wenden.
Zwevend, omdat ze nu allebei vleugels hadden, leidde de engel haar naar de hemelpoort. Hij ging vanzelf open toen ze het gouden metaalwerk naderden; zonder ook maar één geluidje, ondanks dat de poort eruit zag alsof hij al duizenden jaren oud was. Erachter lag een landschap dat waanzinniger was dan alles dat Emra ooit had gezien; een onbewoond eiland, een open plek tussen lichtfilterende bomen, bebloemde bergen, boomgaarden, velden vol van klaprozen, parelwitte stranden – alle sprookjeslandschappen waar de zwavelstokjes haar een glimp van hadden laten opvangen, waren verenigd in dit eeuwige koninkrijk.
Ze geloofde misschien niet dat de man uit de hemel haar lege, kille wereld geschapen had, maar deze plek moest wel volledig van zijn hand zijn.
En ze wist zeker dat ze hier haar engel terug zou vinden.
HOOFDSTUK 0
De reden waarom ik dit alles wil vertellen
Ik zou kunnen zeggen dat Aiden mooi was. Ik zou kunnen zeggen dat hij meer was dan dat. Ik zou kunnen zeggen dat zijn gezicht eruit zag als dat van de engel in het bovenstaande sprookje; zacht, maar doorklieft van scherpe lijnen. Ik zou kunnen zeggen dat hij me betoverde, iedere keer wanneer ik naar hem keek, dat ik mijn ogen niet van hem af kon houden, zelfs niet in de meest miserabele dagen van het leven dat we samen doorbrachten. Ik zou kunnen zeggen dat hij alles was dat ik me ooit gewenst had, ook al heb ik hem nooit voor mezelf gehad. Ik zou kunnen zeggen dat hij alles voor me was, dat ik van hem hield. Ik zou kunnen zeggen dat hij meer voor me betekende dan mijn eigen leven.
Ik zou zelfs kunnen zeggen dat hij het begin van mijn einde betekende, maar aangezien jullie mijn verhaal nog niet gelezen hebben, zal ik dat nog maar even voor me houden.
Laten we bij het begin beginnen.
HOOFDSTUK 1
Hoe mijn leven enerzijds eindigde en anderzijds begon
In woorden was de deal eenvoudig. Ik zou gewoon op hem afstappen, een gezellig praatje maken over van alles en niets, misschien een beetje met hem flirten, en dat was alles. Er stonden geen onleesbaar kleine lettertjes onder het contract, er zaten geen voorwaarden aan vast en er waren geen doelen die ik verplicht moest behalen. Ik hoefde hem alleen maar aan te spreken, dat was alles, en daar zou ik vijftig euro voor krijgen.
In werkelijkheid lag het heel wat gecompliceerder; en dat had ik me niet gerealiseerd toen ik akkoord was gegaan. Het had zo simpel geleken toen mijn vriendinnen het bedacht hadden, maar toen ik zo naar hem stond te kijken, door de waas van rook die er in het café hing heen, besefte ik me dat het alles behalve makkelijk was. Één blik op hem was daar meer dan genoeg voor.
Die avond droeg hij een spijkerbroek die bij gebrek aan een riem van zijn heupen zakte en de lengte van zijn benen benadrukte – want hij was lang, heel erg lang, met rechte schouders en een postuur waar mijn mond telkens weer van open zakte. Hij was engelachtig mooi, en daar is geen woord van overdreven. In het donker was het moeilijk te zien hoe verfijnd zijn gelaatstrekken waren, maar ik wist van miljoenen eerdere gluurpraktijken dat ieder puzzelstukje van zijn gezicht perfect was. Zijn profiel was simpelweg duizelingwekkend, net zoals zijn kaaklijn, en dan heb ik het nog niet eens gehad over hoe hij zijn haar zó wist te dragen dat het geheel nog eens een extra boost kreeg. Ik bedoel – je zou hem eens moeten zien. En daarna moest je eens naar mij kijken.
Bijkomend probleem was dat Elise bij hem stond, en voor het geval er iets niet precies zo zou gaan als ik hoopte, had ik liever dat hij alleen was. Het leek eenvoudig om op hem af te stappen en een gesprek met hem aan te knopen, maar er bestond altijd de kans dat hij niets van me moest hebben – en aangezien Elise een klasgenootje van me was, zette ik mezelf liever niet voor gek waar zij bij was. Een gebroken hart verkreeg ik liever in eenzaamheid; want ik was niet gewoon verliefd op hem – nee, het ging veel verder dan dat. Ik hield van hem zonder dat ik hem kende – hoewel ik wel dacht dat ik dat deed. Ik wilde mijn hoop niet kwijtraken.
Anders gezegd; er viel wel wat te winnen, maar misschien wel meer te verliezen – zelfs toen was ik me daar al van bewust, terwijl ik nog niet eens wist wat me in werkelijkheid boven het hoofd hing. Maar dat is in dit stadium nog even bijzaak.
Tot dan toe had de deal in ieder geval nog weinig verschil in de wereld gemaakt, behalve dan het feit dat ik nog gevoeliger was voor zijn radioactieve straling dan normaal. Ik probeerde mijn gedachten alsmaar van Aiden en de deal af te leiden door stilletjes mee te zingen met ieder nummer dat voorbij kwam, of te luisteren naar de roddels die Sanne en Linda uitwisselden, of te proberen mijn hartslag en het tempo van de beat op één lijn te krijgen, maar niets werkte. Ik kon me hoogstens een minuut concentreren voordat mijn blik begon af te dwalen en mijn ogen hem begonnen te zoeken tussen de grijze mensenmassa, totdat ik zijn naam weer begon te denken – want dat deed ik vaak, als ik niets anders had om mijn hoofd mee op te vullen.
En iedere keer dat dat gebeurde; dat het eentonige doef doef doef van de beat onder de snoeiharde gitaarmuziek vervormde tot Aiden Aiden Aiden, besefte ik me meer en meer dat het allemaal echt was, en dat ik hem ook echt zou gaan aanspreken als het ideale moment daar was. Het was me niet eens om het geld te doen, of om het feit dat mijn zogenaamde trots me zoveel waard was, maar gewoon omdat ik diep vanbinnen zelf ook wel wist dat er eindelijk eens stappen gezet moesten worden. Ik was al zo’n drie jaar door hem geobsedeerd, en hij wist niet eens mijn naam. Het was tijd voor verandering.
Ik hoefde alleen maar te wachten tot Elise naar de WC zou gaan voordat ik het podium van hun eeuwigdurende musical zou betreden. Elise af. Akte 33. Mirre op. Zo simpel leek het – let wel, leek het, want natuurlijk was het allesbehalve simpel. Stiekem was het zelfs het meest griezelige dat ik ooit in mijn leven gedaan had.
En uiteindelijk had ik veel te kort de tijd om me volledig op de vuurproef voor te bereiden.
Een halfuur lang had ik op mezelf staan inpraten; Mirre, je kunt het, je gaat het doen; je stapt gewoon op hem af, vraagt om een vuurtje, probeert een gesprekje aan te knopen en dat is alles, maar toen Elise Aiden halverwege die mentale voorbereiding al alleen liet, wist ik het opeens niet meer zo zeker. De wereld leek even stil te staan; de beelden voor mijn ogen vervielen in een wazige slow motion en de muziek om me heen vervaagde, zodat alleen het geluid van mijn hartslag overbleef. Ik werd besprongen door verschillende emoties; aan de ene kant dacht ik ik wil dit niet, alsof ik al wist wat de gevolgen zouden zijn, en aan de andere kant had ik zoiets van het is nu of nooit.
Ik weet nog hoe Linda me het pakje Marlboro gaf dat we speciaal voor deze avond van haar broer geleend hadden, en hoe Sanne me een bemoedigend succes! toeschreeuwde voordat ze me een duwtje richting de bar gaf, maar dat gebeurde allemaal in een waas. Ik had geen controle meer over de situatie. Mijn benen droegen me naar de bar toe zonder dat ik erbij nadacht, en toen de mist in mijn hoofd uiteindelijk optrok en het tot me door begon te dringen waar ik eigenlijk mee bezig was, kon ik al niet meer terug.
Het is nu of nooit.
Ik bleef doorlopen, slalommend door de mensenmassa, terwijl ik tijdens het afleggen van de laatste paar meters mijn verstand op nul zette. Mijn hoofd moest leeg zijn wanneer ik hem aan zou spreken, want ik wist dat ik anders met geen mogelijk normaal zou kunnen functioneren; ik moest alle mensen om ons heen vergeten, zodat alleen wij twee over zouden blijven. Hij en ik, ik en hij, en niemand anders.
Eenmaal bij de bar bestelde ik een Coebergh zonder ijs en prentte ik mezelf opnieuw die woorden in: hij en ik, ik en hij, en niemand anders. Ik sloot mijn ogen voor een kort moment en nam een slok van mijn drankje terwijl ik mezelf dwong die woorden waar te maken. Het pakje Marlboro dat ik in mijn handen had, stopte ik in mijn kontzak na er een sigaret uitgehaald te hebben. Nog één keer haalde ik diep adem. Ik wist dat deze kans de enige was die ik ooit zou krijgen en dat ik hem met beide handen aan moest grijpen; dit was het moment. Het was tijd voor verandering, tijd dat ik mijn dromen waar zou maken – of het in ieder geval zou proberen voordat het te laat was.
Nu of nooit.
Ik vroeg het terwijl ik me naar hem omdraaide – en dat was maar goed ook, want als ik al naar hem had gekeken voordat ik hem had aangesproken, zou ik met geen mogelijkheid nog uit mijn woorden gekomen zijn. Hij was zo verschrikkelijk mooi dat ik er helemaal raar van ging doen. Mijn knieën voelden aan als pudding. Ik had kippenvel over mijn hele lichaam. Ik was als de dood dat hij alleen mijn hartslag zou horen in plaats van de muziek. Maar mijn stem was muurvast, en dat was waar het op dat moment om ging.
“Heb jij misschien een vuurtje voor me?”
Toen hij naar me opkeek, moest ik mezelf eraan herinneren adem te blijven halen. Ik had nog nooit echt goed kunnen zien hoe mooi zijn ogen waren, om de simpele reden dat hij me tot op dat moment nog nooit had aangekeken, maar zelfs mijn fantasie had de werkelijkheid niet kunnen overtreffen. Het was bizar hoe hij het woord adembenemend zo tastbaar kon maken.
Zijn haren vielen als een gordijn voor zijn gezicht toen hij zijn ogen neersloeg en zonder te antwoorden naar zijn broekzak tastte. Ik ga dood, dacht ik op het moment dat ik me besefte hoe dicht ik eigenlijk bij hem was. Ik val straks dood neer en dan vindt hij me de grootste idioot op aarde, maar dan kan ik in ieder geval zeggen dat ik even in de hemel ben geweest.
Want het voelde als de hemel – echt waar. Ik kon me nog precies herinneren hoe het was geweest toen ik hem voor de eerste keer in mijn leven gezien had, iets meer dan drie jaar daarvoor, hoe ik na één blik al had geweten dat ik hem nooit van mijn leven voor mezelf zou kunnen krijgen – maar op het moment dat ik daar aan de bar stond, met een sigaret tussen mijn vingers en mijn openingszin nog hangend in de lucht tussen Aiden en mij in, voelde ik iets dat niet specifiek hoop was, maar er wel op leek. Alsof er nog allerlei deuren voor me open stonden. Het was ook allemaal zo onwerkelijk.
Hij leende mij zijn vuur zodra hij zijn aansteker tevoorschijn gehaald had en stak voor zichzelf ook een sigaret op, zodat ik – terwijl ik mijn eerste trekje nam – kon zien hoe het vlammetje kort de lijnen in zijn gezicht verlichtte. Het was betoverend, sprookjesachtig – hij was sprookjesachtig, en ook al duurde het maar een fractie van een seconde, dat was genoeg om mijn hart een slag over te laten slaan. Zo gauw ik voelde dat ik kippenvel kreeg, sloeg ik mijn ogen echter neer, zodat ik even diep in en uit kon ademen zonder dat hij er iets van zou merken.
Ik focuste me op het ritme dat vibreerde onder mijn voeten terwijl ik van tussen mijn wimpers zijn nieuwe shirt bekeek. Hij was donkergrijs en de stof was bedrukt met een zwarte print in de vorm van een boom; een boom met grillig gevormde, kale takken en een hoop andere sinistere details die in het donker zo moeilijk te onderscheiden waren dat ik maar besloot op te houden met staren voordat ik er eenmaal mee begonnen was. In plaats daarvan liet ik mijn ogen afdwalen naar de hals van zijn shirt; naar het plekje waar zijn sleutelbeen onder de stof kroop, en naar zijn schouders, en naar de lange lijn van zijn hals – ik weet niet eens meer waar ik allemaal naar keek, maar het duurde vanaf dat moment in ieder geval niet lang meer voordat ik de openingszin bedacht die me maandag vijftig euro op zou brengen.
“Leuke aansteker,” merkte ik op toen mijn blik uiteindelijk per ongeluk op zijn aansteker viel, en ik knikte naar zijn hand. Ik sloeg mijn ogen kort op om de uitdrukking op zijn gezicht te kunnen zien, maar hij sloeg de zijne al neer voordat onze blikken elkaar goed en wel hadden kunnen kruisen.
Het was een appeltje van metaal, ter grootte van een golfbal, en hij zag er zo zwaar uit dat ik zeker wist dat hij niet één keer zou stuiteren als Aiden hem uit zijn handen zou laten vallen. Dat de aansteker al veel te verduren had gehad was glashelder; het oppervlak was gebutst en grauw, hoewel het duidelijk te zien was dat hij heel lang geleden van een glanzend soort zilver geweest had moeten zijn. Ik vroeg me af wat het verhaal achter het ding was – of nee, wacht, ik zou het tekort doen als ik het een ding zou noemen. Het was meer een artefact, en dat was ook de manier waarop Aiden het behandelde; alsof het van onschatbare waarde was.
But the tree of knowledge of good and evil, thou shalt not eat of it:
for the day thou eatest thereof, thou shalt surely die.
“Dankjewel,” zei hij net hard genoeg om verstaanbaar te zijn. “Van mijn moeder.”
Ik zwoer dat ik de schaduw van een glimlach op zijn lippen kon zien rusten toen zijn ogen de mijne ontmoetten, maar hij wendde zijn blik alweer af voordat ik daar honderd procent zeker van kon zijn. De uitdrukking op zijn gezicht veranderde van ontspannen naar bedenkelijk naar iets dat ik niet goed kon plaatsen, maar in ieder geval zorgde de lege blik in zijn ogen ervoor dat er een pijnlijke stilte viel. Ik nam een trekje van mijn sigaret om die stilte voor mezelf op te vullen, om bedenktijd te creëren – want ik wist op dat moment echt even niet meer wat ik moest doen. Hoe blij ik even daarvoor nog was geweest dat ik vanuit het niets een gespreksonderwerp had kunnen aandragen, zozeer wenste ik op dat moment dat ik hem nooit naar zijn aansteker gevraagd had.
Het duurde niet lang voordat ik tot de conclusie kwam dat het waarschijnlijk het beste was om maar gewoon weg te lopen, dus pakte ik mijn glas van de bar en oefende ik gauw de woorden nou, ik zie je vast nog wel eens in mijn hoofd. De sigaret trilde tussen mijn vingers.
En toen kwam de redding. Of de ondergang. Het is maar hoe je het bekijkt.
Plotseling stond Elise naast me – knap, mooi en beeldschoon. Ik had gevreesd voor haar reactie op mijn spontane bijdrage aan hun avond; dat ze minachtend op me zou neerkijken, of dat ze iets zou zeggen als goh, jij verwacht wel heel veel vanavond of dat ze me op een andere manier voor Aidens ogen voor gek zou zetten, maar ik had nergens bang voor hoeven zijn. Elise leek het niet vervelend te vinden dat ik er was, ze was hoogstens een beetje verbaasd – en dan niet op een vervelende manier, maar gewoon, alsof ze het leuk vond me te zien.
En ja, ik weet dat het moeilijk is om dat te geloven, want dat vond ik toentertijd zelf ook, maar toen ze zei: “Hé, Mirre, wat leuk! Ik wist niet dat jij hier ook wel eens kwam!” klonk haar stem zo oprecht dat ik er zeker van was dat ze niet tegen me stond te liegen. Ook al zou ik later nog leren dat ze een heel goede actrice was.
“Ik kom hier ook niet zo vaak,” antwoordde ik naar waarheid, stomverbaasd. Het was niet alsof Elise ooit vervelend tegen me gedaan had, ook al zaten we nog maar heel kort bij elkaar in de klas, maar ik had nooit verwacht dat ze mijn naam zou kennen; laat staan dat ze aardig tegen me zou doen. Het maakte me onrustig, gewoon omdat ik me daar niet op had voorbereid; Elise deed iets dat niet in het script stond en ik moest mezelf zien te redden door te improviseren. En daar was ik helemaal niet goed in.
“Wij eigenlijk ook niet,” zei Elise, en ze haalde haar schouders op, “maar de WC is hier gratis en het bier goedkoper. Kennen jullie elkaar al, trouwens?”
Ze wendde haar blik af en keek vragend naar Aiden, waarna ze weer terug naar mij keek. Ik had geen idee wat ik moest antwoorden, en dat kwam niet alleen doordat haar blik me sprakeloos maakte. Ja, ik kende hem al, dacht ik, maar voor hem was ik waarschijnlijk een volslagen vreemde. Improviseren, Mirre, improviseren, sprak ik mezelf toe, maar het werd steeds moeilijker om mijn gedachten bij de essentie te houden. Mijn concentratie begaf het, stukje bij beetje; ik werd me bewust van de mensen om ons heen, van de warmte die aan mijn rug kleefde, van het feit dat ik ledematen had waarvan ik geen idee had wat ik ermee moest doen – het maakte me onrustig. Het was allemaal zoveel meer dan ik ooit had durven dromen.
Mijn knieën begonnen te knikken op het moment dat ik mijn blik op Aiden richtte, bij gebrek aan een antwoord, en ik zag dat hij ook naar mij keek. Hij staarde, maar niet op zo’n manier dat ik me er ongemakkelijk door voelde – ik werd er juist iets rustiger van.
“Nee, niet echt, geloof ik,” antwoordde hij. Zijn stem was ongekend zacht en zuiver. Mijn hart werd er bijna stil van.
“Nee, niet echt,” echode ik.
En toen gebeurde plotseling het omgekeerde van even daarvoor; de wereld om ons heen geraakte op de achtergrond en even bestonden alleen Aiden en ik, in mijn eigen realiteit, alsof we samen waren ingesloten in de zeepbel van mijn fantasie. Hij keek naar mij en ik keek naar hem en de tijd leek stil te staan. Ik hield mijn adem in. De harde muziek vervaagde tot een fluistering, zodat ik alleen mijn hartslag nog maar kon horen – en die van hem, dacht ik op dat moment, maar als ik er nu op terugkijk was het waarschijnlijk alleen die van mij. Mijn hart ging gewoon zo snel dat het er net twee waren.
Het was vreemd; het gevoel dat ik kreeg op dat moment. Het was gewoon een simpel moment van oogcontact, niets meer en niets minder, maar toch voelde het als zoveel meer voor mij. Ik weet niet precies waaraan het lag, of het de kalme blik in zijn ogen was, of de frons tussen zijn wenkbrauwen, maar het intrigeerde me. Het was die blik die ervoor zorgde dat ik meer van hem wilde weten, dat ik hem nog liever wilde leren kennen. Hij maakte me nieuwsgierig.
“Oh, nou, in dat geval -” zei Elise plotseling, waardoor de zeepbel uit elkaar spatte en ik terugkeerde in de echte wereld. “Aiden; dit is Mirre, een nieuw klasgenootje van me, en Mirre; dit is Aiden, de saaiste flapdrol die je ooit zult ontmoeten.”
De brede grijns op haar gezicht verried dat het een grapje was – wat ik ook wel verwacht had, gezien het feit dat ik wist dat Aiden en Elise elkaar dagelijks de meest verschrikkelijke dingen toeriepen terwijl ze er helemaal niks van meenden – en ik grijnsde met haar mee, gewoon omdat het ook echt hilarisch was. Als Aiden de saaiste flapdrol zou zijn die ik ooit zou ontmoeten, dan kon ik me geen voorstelling maken van het leven dat me nog te wachten stond.
Net zomin als ik me ooit een voorstelling had kunnen maken van wat er daarna gebeurde – maar dat gebeurde ook, dus ik had kunnen weten dat een leven in de onderwereld nog veel verrassingen met zich mee zou brengen.
Precies op het moment dat ik even niet meer wist wat ik moest doen, stak Aiden zijn hand naar me uit. Zelfs in die beweging weerspiegelde hij het karakter waarvan ik op dat moment nog te naïef was om te doorzien dat het een goed gedragen masker was; hij deed het met gratie en souplesse, maar ook met humor, alsof hij zichzelf niet serieus nam – hij maakte er zelfs een ironische buiging bij. Hij deed me denken aan een slechte goochelaar en bij dat idee moest ik lachen. Zijn ogen lachten met me mee.
Ik legde mijn hand in die van hem, met een beweging die zijn elegantie in geen miljoen lichtjaren kon evenaren, en bleef zijn blik vasthouden terwijl hij zich langzaam naar voren boog.
Ik had het niet meer toen hij een kus op mijn hand drukte. Ik wilde gillen, dansen, lachen, springen, huilen van geluk en door het café heen rennen als een kip zonder kop. Ik wilde zijn hand omsluiten met die van mij, hem naar me toe trekken, mijn armen om zijn hals slaan en hem zoenen – in mijn dromen had ik het al zo vaak gedaan dat het haast een automatisme zou moeten zijn, maar ik deed het niet. Ik deed niets van dat alles. Het enige dat ik deed, was stilstaan, compleet bevroren.
Of nee, dat was niet wat ik deed. Ik zweefde, heel hoog boven de grond, want de zwaartekracht bestond niet meer. Ik zweefde daar gewoon, met mijn verstand op nul en mijn hart wagenwijd open.
“Aangenaam, milady,” zei hij heel serieus, maar met één mondhoek opgetrokken in een scheef glimlachje dat zorgde voor vlinders in mijn buik. Ik weet slechts één woord dat de pracht van zijn gezicht zou kunnen beschrijven: Wauw.
Het duurde veel te kort, dat moment, hoewel ik waarschijnlijk een hartaanval gekregen zou hebben als het ook maar één seconde langer aangehouden had. Ik wist niet eens meer hoe ik moest ademen. Mijn huid tintelde op de plaats waar hij zijn lippen op mijn hand gedrukt had, en mijn bloed gonsde in mijn oren. Ik kan niet precies uitleggen hoe het voelde, simpelweg omdat er zoveel dingen tegelijk gebeurden, maar het was gewoon … ik weet het niet. Zoveel.
“Waar heb je dát geleerd?” vroeg Elise hem vol ongeloof. Aiden lachte breed; een grijns waarvan ik uit ervaring wist dat het dat zeg ik lekker niet betekende. Het was een spelletje dat typerend voor hen was: als Elise iets ontzettend graag wilde weten, dan verzweeg Aiden het expres voor haar, omdat hij wist dat Elise een hekel aan geheimpjes had. Andersom vond zij het grappig om hem in de rede te vallen als hij haar een verhaal vertelde, omdat hij er chagrijnig van werd als hij de draad van zijn relaas kwijtraakte. Als hij haar vervolgens uitschold voor allerlei dingen die hij niet meende, schoot zij in de lach, waarna hij haar bijviel en ze weer de beste vrienden waren. Het was het soort humor dat niemand begreep, maar juist daarom zo interessant was.
Zo was het op dat moment ook: Aiden bleef onafgebroken grijnzen, hoe lang Elise hem ook aanstaarde, totdat ze zich voor de waarschijnlijk duizendste keer in haar leven besefte dat hij zijn geheim toch niet zou prijsgeven.
“Oké, wat jij wil,” zei ze vervolgens, hoewel het iets minder bitter leek te klinken dan al die eerdere keren. “Maar als jij me niet meer lief vindt, ga ik Sophie en Jasper wel even opzoeken. Misschien houden zij nog wel van me.”
“Zou je denken?” zei Aiden, nog steeds met diezelfde grijns op zijn gezicht geplakt.
“Ze houden vast meer van me dan jij doet,” antwoordde ze met een sarcastische glimlach die verried dat haar dramaqueen-attitude alleen maar een act was. “In ieder geval – Soof was niet op de WC en toen ik haar belde, hoorde ik een heleboel lawaai, dus ik neem aan dat ze samen naar die – háál die schijnheilige grijns van je gezicht of ik trek je hoofd eraf.”
Toen hij in de lach schoot, moest ik hem wel bijvallen – gewoon omdat Elises priemende vingertje erom vroeg. Het duurde niet lang voordat Elise de controle over haar pokerface verloor en ook in lachen uitbarstte, zodat we daar … ja, ik weet niet precies wat het was dat we deden. Voor iedere buitenstaander leek het waarschijnlijk alsof we gewoon drie vrienden waren die lol met elkaar hadden – en dat was het hem ook juist. Vrienden. En tegelijkertijd was het iets compleet anders, omdat het voor mij allesbehalve ‘gewoon’ was. Het was magisch, en sprookjesachtig, en meer dat ik ooit in woorden uit zal kunnen drukken, en ik was zo dankbaar dat ik daar op dat moment mocht zijn.
Dat was de eerste lachbui die we met zijn drieën deelden, en het zou nog lang niet de laatste zijn.
*
“Zie je nou hoe gevaarlijk ze kan zijn als ze boos wordt?” zei Aiden toen we allemaal weer een beetje op adem gekomen waren, met een hoofdknik naar Elise en een brede glimlach in mijn richting. Ik vermoed dat het iets met die glimlach te maken had dat mijn benen plotseling aanvoelden als pudding.
“Je bent een klootzak, Aiden,” antwoordde Elise met een grote glimlach op haar gezicht terwijl ze haar armen quasi-beledigd over elkaar heen sloeg. “Ik probeer hier een image hoog te houden omdat Mirre erbij is en wat doe jij? Jij doet het lijken alsof ik helemaal niet eng ben. Je wordt bedankt.”
Ik lachte, opnieuw, omdat Elise de wereld plotseling op zijn kop leek te houden. Als er iemand was die een image had hoog te houden, dan was ik het wel.
“Maar in ieder geval,” ging ze verder, zonder acht te slaan op de grijns die zich opnieuw op Aidens gezicht aftekende, “ik denk dus dat ze naar die ene discotheek toe zijn gegaan en ik ga daar nu ook even heen want jij doet stom tegen me en ik krijg nog sigaretten van Soof, dus die ga ik even opeisen voordat ze het zogenaamd weer vergeten is. Ga je mee?”
Ik voelde me opeens helemaal alleen op de wereld. Natuurlijk had ik geweten dat het zo gemakkelijk niet zou gaan, dat het vragen van een vuurtje er niet voor zou kunnen zorgen dat ik mijn eigen leven achter me zou kunnen laten en aan dat van hen kon beginnen, maar alsnog was ik teleurgesteld in mezelf. Het stoorde me gewoon dat ik er opnieuw aan herinnerd moest worden dat ik nooit goed genoeg zou zijn, in plaats van dat ik dat onderhand al als vanzelfsprekend beschouwde.
Ik werd me weer bewust van de mensen om ons heen, van het bassritme onder mijn voeten, van de dansende schaduwen en de mist van rook die boven onze hoofden hing. De magie sijpelde geleidelijk weg uit het moment en ik richtte mijn blik op mijn schoenen toen ik voelde hoe het gat in mijn hart langzaamaan groter werd. Ik beet op mijn lip om de pijn wat draaglijker te maken maar dat hielp niet dus hief ik mijn hoofd op om mijn miserie te trotseren als een man en ik keek naar Aiden en hij keek naar mij maar zijn blik was zo ondraaglijk dat ik mijn ogen maar meteen weer afwendde en pas toen zag ik Elises verwachtingsvolle blik.
En pas toen had ik door dat ze het tegen mij gehad had.
Ik had geen idee wat ik moest antwoorden. Ik wist het echt niet. Ik was met stomheid geslagen. De reacties die door mijn gedachten flitsten leken me allemaal nogal overdreven en ongepast, dus na een langgerekt moment van stilte waarin ik geen enkele perfecte respons had kunnen vinden, zei ik met een uitgestreken gezicht: “Wie, ik?” waarna Elise heel hard moest lachen en me het gevoel gaf dat ik een enorme sukkel was, hoewel ze dat vast niet zo bedoelde.
“Ja, jij natuurlijk,” zei ze vrolijk. “Wie anders?”
“Nou, Aiden bijvoorbeeld,” antwoordde ik, nog steeds stomverbaasd, want als ik de keuze had gehad tussen Aiden en mijzelf, dan had ik het wel geweten.
“Nee, Aiden mag niet mee, die is stom,” zei ze met een gemene en vooral geacteerde uitdrukking op haar gezicht, waarna Aiden een pruillipje trok en zijn gezicht naar de grond richtte en deed alsof hij ontzettend zielig was – en werkelijk waar, ik heb nog nooit in mijn leven zoiets schattigs gezien. Het maakte dat ik mijn armen om hem heen wilde slaan en zijn gespeelde tranen van zijn gezichtje wilde vegen en zijn lippen wilde zoenen alsof er geen morgen meer bestond, maar dat deed ik niet en ik stopte ook maar gauw met eraan denken omdat ik voelde dat mijn hoofd rood begon te worden.
Elise dacht er schijnbaar precies hetzelfde over als ik – wat betreft die schattigheid dan, van wat er zich in haar hoofd afspeelde had ik geen flauw benul – want niet veel later zei ze: “Nou, oké dan, omdat je zo’n zielig jongetje bent.”
Ze grijnsde naar me alsof we partners-in-crime waren – zo’n duizelingwekkend jaloersmakende grijns waarvan haar ogen begonnen te stralen en haar hele gezicht oplichtte alsof de hemel een spotlight op haar richtte. Ik weet niet precies wat het was aan Elise dat ik zo ontzettend mooi vond – of het die lach was, of de manier waarop ze zich bewoog, of juist iets heel anders. Ik kon mijn vinger er niet precies op leggen, maar waarschijnlijk was het gewoon de optelsom van al die kleine puzzelstukjes bij elkaar die maakten dat ik haar het op één na mooiste schepsel op aarde vond.
Op het moment dat Elise haar arm door de mijne haakte en me naar de deur begon te begeleiden, kon ik het niet laten om even om te kijken naar de enige persoon die ik mooier vond. Toen hij, nadat hij zijn sigaret had uitgedrukt in de asbak op de bar, doorkreeg dat ik naar hem keek, glimlachte hij naar me – een half glimlachje dat ik ontzettend mysterieus en bloedstollend wauw tegelijk vond. Daarna plukte hij zijn jas van een barkruk en volgde hij ons naar buiten.
© Neko Mara
Ik wacht graag af
Je weet dat ik het mooi vind ^^ <3
Wauw. <3
Het maakt me zo jaloers omdat ik zo graag ook zo goed zou willen kunnen schrijven <3. Jij gaat hier echt wel groot mee worden, en al is het niet zo dan wil ik nog je schrijfsels blijven lezen, dus houd mijn e-mailadres altijd ergens bij de hand en mail me, want ik wil lezen <3.
Als je eerste boek uitgegeven is, eis ik een gesigneerd exemplaar.
En ook bij alle opvolgers daarvan.
*is fan #205487 of zo, want ik denk niet dat je weet hoeveel mensen snakken naar meer van jouw schrijfsels* <3
Oh my good Lord. Ik was even, heel even maar, vergeten hoe fantastisch jouw schrijfkunsten ook alweer waren. Want toch verschillen kleine blogjes enorm met (het begin van) een verhaal, merk ik nu. Blogjes zijn ook mooi, maar dit is wat ik tijden en tijden geleden voor het laatst heb gelezen en wat ik eigenlijk, zo besef ik me nu, ontzettend heb gemist.
Ik vind het zo ongelofelijk knap hoe jij Aiden omschrijft, hoe je Mirre’s verlangens zo goed naar voren laat komen, zo goed dat ik zelf ontzettend zenuwachtig wordt van het idee dat ze hem aan moet spreken, dat ik er zelf kippenvel van krijg als ze hem aankijkt…
Ik kan echt niet wachten op het volgende stuk. <3
Ik kan me herinneren dat ik dit redelijk lang geleden al eens gelezen heb. En toch vind ik het nog steeds geweldig mooi. o.o <3
Ik kan echt niet wachten op het volgende stuk. Ik ben zó benieuwd wat er gaat gebeuren. =o
Falalalalaaaaaaaaa. <3
weer bijgelezen.
gawd, ik ben helemaal vergeten wat ik ook alweer moest doen. *is afgeleid door de mooiheid van je verhaal o.o* <3
OH MAN WEET JE WÁT ME PLOTSELING RAZEND NIEUWSGIERIG MAAKTE? O_O
“Ook al zou ik later nog leren dat ze een heel goede actrice was.”
Ik heb dit al een keer eerder gelezen en ik heb geen idee of dat zinnetje er toen ook al in stond, maar ik word er razend nieuwsgierig van. Misschien wel nog nieuwsgieriger dan van iedere laatste zin van elk nieuw gepost stukje, omdat dat altijd zo’n cliffhanger-gevoel geeft.
Man, ik wil weten wat er gaat gebeuren. En ik wil Aiden ook leren kennen. Rawr.
meermeermeer! hahaha
zo moooi <3
Je weet dat ik het lief. <3
Geez ik zou willen dat Aiden echt bestond en dat je duizend foto’s van hem had, want je beschrijft ‘m alsof hij perfect is.
-is benieuwd naar wat er gaat gebeuren-
Echt heel mooi geschreven, Neko ^^
tering. ik ga niet de moeite nemen om het helemaal te lezen. maar het begin ziet er al goed uit hoor. wat een leuke kleine zus heb ik tog ;D